Meteen naar de tekst springen
Life of Brian: voegt de kerk zelf wat toe aan het kijkplezier? (c) Bob van der Sterre

INDEX >> FESTIVALS >>

LEIDS FILM FESTIVAL
Life Of Brian in een kerk

 

Bob van der Sterre | 02/01/2012


Share/Bookmark

De organisatoren van het Leids Film Festival zijn niet snel te ontmoedigen door economische crisissen en discussies over subsidies voor ‘linkse hobby’s’. ‘Desnoods ga je met zijn allen om een tv staan, om ze mooie dingen te kunnen laten zien, ’ zegt hun voorzitter in een interview. Dat soort optimisme typeert dit luchtige filmfestival.

Het festival (zesde aflevering was afgelopen oktober) kenmerkt zich vooral door breed te schieten op filmfans. Je vindt leuke, makkelijke films naast de Bulgaarse deelnemer voor de Iron Herring-competitie. Je vindt themareeksen met films over wetenschap, recht, Japan, China, en ja, waarom niet, het Pygmalion-motief. De liefhebber van verkleedpartijen kan Jean-Paul Belmondo of Jeanne Seberg spelen op een nouveau vague-party.

Samenhang bij dit festival is dat alles mogelijk moet zijn. Life Of Brian in de Pieterskerk? Vibrators uitdelen bij Hysteria? Doen we. Dan past er ook een andere manier van bespreken: het stellen van een vraag bij iedere film die je ziet.

The Guard: wat blijft er over vijftig jaar over van deze film?
Over vijftig jaar zal de kijker nog steeds geïmponeerd zijn door de nagenoeg perfecte casting van Brendan Gleeson als Gerry Boyle in The Guard (2011). Zijn optreden als cynische agent die alleen in zijn eigen waarheid gelooft, is er een die de film ver boven het gemiddelde gros doet uitstijgen. Hij is de man die tijdens een meeting aan een donkere Amerikaanse FBI-agent vraagt: ‘Ik dacht dat de drugshandelaren altijd negers waren?’ Die met twee hoertjes een topdag heeft. Die enthousiast vertelt over zijn ervaringen met crack.

Ook zullen de heerlijke dialogen tussen de gangsters overeind blijven. Ze filosoferen over geld, staand voor een aquarium (‘Wanneer is het genoeg?’). Een gangster legt uit dat hij geen psychopaat is maar een sociopaat en dat dat heel wat anders is. Vooral de rol van Mark Strong is een aanvulling op de vele gangstervertolkingen die we de afgelopen twintig jaar hebben leren kennen. Hij vertikt het om een lijk te dragen want het was geen deel van de afspraak.

De toekomstige kijker zal helaas niets begrijpen van onze neiging om geforceerde verhaallijntjes toe te voegen om verhalen te vullen. Zoals de lijdende moeder. En ook niet van altijd weer die onconventionele agent die halverwege de film zijn badge moet inleveren, en de twee tegenpolen die elkaar steeds meer mogen.

Verder herkent de toekomstige kijker meteen de gedateerde stijl. De als sfeer bedoelde filmtafereeltjes, de symmetrische beelden van wegen, de acteurs die recht van voren in de camera kijken, de man die tobberig in bar zit achter een glas bier, de man die achteruit rijdt in zijn auto terwijl je door de voorruit een vrouw ziet huilen, de man die laf in de rug wordt geschoten. Allerlei dingen die in het moderne speelfilmhandboek staan.

Life of Brian: is het zinvol om een film in een kerk te kijken?
Als je alle geloofshitsers – en doe daar dan ook de belijders van radicale politieke bewegingen bij – eens jaarlijks Life Of Brian (1979) zou voorschotelen, in kerk naar keuze, zouden ze dan eindelijk hun overhitte passie voor hun geloof gaan relativeren? Maar nee, dat kunnen ze natuurlijk niet, relativeren, daarom zijn ze ook zo fanatiek, en willen ze zulke films niet zien.

De film roert de gemoederen nog na dertig jaar (toenmalig hoogtepunt: het verbieden van vertoning in steden waar niet eens een bioscoop stond) en dat bewijst zijn immense kracht. Voegt de kerk zelf wat toe aan het kijkplezier? ‘Always look on the bright side of life’ horen galmen in een kerk, dat geeft wel kriebels, net als de speeches van Brian dat iedereen zichzelf moet zijn. Het weerkaatsend geschater om ‘biggus dickus’ heeft iets sacraals; Life of Brian als heilige satire.

Grappig is dat de film, in zijn kern, het verhaal van de bijbel eigenlijk voor waar aanneemt. Het zijn de dingen eromheen die worden bespot. Cleese noemde de film zelfs ‘een perfecte religieuze film.’ Je ziet Jezus Christus zelfs drie keer in de film verschijnen en dan is de film helemaal op zijn plaats in de kerk.

Het zet aan het denken: waarom bespot een kerk nooit eens atheïsten met een geweldig geestige film? Prima religieuze propaganda zou dat zijn. Antwoord: die zal nooit komen. Humoristen zijn te weinig religieus en fanatiek, en de kerk vindt spotten al eeuwenlang gevaarlijk. Satire en geloof zijn geen goede vrienden, zoals het onlangs in de hens zetten van de redactie van het Franse satirische blad Charlie Hebdo nog maar eens bewees.

The Artist: wat maakt een charmante film tot charmant?
The Artist keert terug naar de roots van de filmromantiek: de zwijgende film, toen beelden het werk nog moesten doen. De begeerte, het verhaal, het drama, de blikken: dat zijn de dragende krachten achter deze romantiek. Niet geraakt worden door de liefde van Peppy Miller en George Valentin is haast onmogelijk. De zaal vond dat ook. Er klonk overal gesnotter en na afloop zelfs een ovatie.

En dat voor een film die via het Sneak Preview-programma het festival was binnengeloodst, die geen dialoog heeft, en in zwart-wit is gefilmd! Jonge mensen zouden niet van experimentele films houden? Het probleem is denk ik dat ze gewoon niet goed genoeg zijn. Een paar maal toont Jean Dujardin een prachtgrijns en de zaal ligt dubbel. Mooi moment: een herinnering aan films die het van zulke momenten moesten hebben, en de film zelf treft ook die snaar.

De charme van de film zit hem in het niet willen drammen. De ontroerende passages (favoriet: wanneer zij knuffelt met zijn jas) die niet heel drammerig charmant willen zijn; in de virtuoze filmstijl die niet drammerig virtuoos wil zijn; en in de geestigheid, die ook weer nergens drammerig lachsalvo’s eist. Al deze zaken krijgen je klein als het kind dat zijn ogen bij Bambi niet kon droog houden.

Margin Call: kun je echt wat leren van films?
Wie wil gevisualiseerd  zien hoe de bankencrisis in 2008 plaatsvond, de val van Fennie Mae, Freddie Mac, Lehman Brothers en noem ze maar op, heeft een goede aan deze film. Het begint al heel ironisch met het ontslaan van bijna de hele afdeling risicomanagement. Wat moet je daar ook mee, die houden de handel alleen maar op.

Een van de weinige overblijvers kraakt dan in een avondje een formule waarop de handel voor risicovolle hypotheken was gebaseerd. Oeps. Geheide bankroet in het vooruitzicht. Besluit moet genomen worden. ‘Voor de anderen door de nooduitgang zijn’, peinst de CEO van de bank tijdens een nachtelijke vergadering.

Dankbaar materiaal voor een thriller en Margin Call pakt het goed aan, want het script blijft droog, en er wordt ook nog eens goed gespeeld. Jeremy Irons is verrukkelijk als CEO die ’s ochtends vroeg een soepje eet en opgewekt vertelt over ‘de stootjes die de wereldeconomie nu eenmaal heeft’. Kevin Spacey is geloofwaardig als topmanager die geen computerschermen kan lezen. Ik hield ook van Stanley Tucci’s droevige rol. En Simon Baker is misschien wel het best op zijn plaats als de kille – maar eeuwig jonge – topman, die zich tijdens een scheerbeurt verbaast over iemand bij de bank die zijn baan echt leuk vond.

Ik kan kranten en boeken lezen wat ik wil, maar dan zie ik niet de mensen erachter. Nu begrijp ik die kredietcrisis in een klap een stuk beter. Hebzucht, arrogantie: dat zijn verklaringen waarmee ik kan leven.

50/50: zijn komedies betere drama’s?
De beste films laveren zelfverzekerd door de genres, en 50/50 doet dat ook. Geen serieuze, kille film over kanker, nee, om deze film kun je hard lachen om grappen die soms in barre komedies niet hadden misstaan. 50/50 werkt met zijn losse, eenvoudige acteerspel op twee emoties tegelijk: regenbooggeluksgevoelens.

In komedies is het acteren ontdaan van het overdramatische sausje. Sympathieke karakters (dus karakters met humor) laten mij meer openstellen voor dramatische gevoelens. Het aandoenlijke, lieve spel van Joseph Gordon-Levitt en Anna Kendrick doet dan de rest. Tja, daar moest ik echt een flinke krop wegslikken. Wordt vaak geprobeerd, deze naturelle aanpak, maar lukt net zo vaak niet.

Ja, komedies zijn betere drama’s, maar misschien zijn drama’s door hun gebrek aan flauwekul ook betere komedies? De vraag is eigenlijk niet zo interessant, geloof ik. Een goede film is vooral fris en mist derhalve melodrama, clichés en oninteressante karakters.

Drive: hoe zie je dat een film op eigen benen staat?
Het begint al met de letters van de openingscredits: zo eighties hebben we het sinds de eighties zelf niet meer gezien. Speelt die film zich af in de tijd? Er zijn geen directe aanknopingspunten voor – al wijzen de bizarre outfits er wel een beetje naar. Los Angeles is het logische decor – die typische jaren tachtig-filmstad.

De film portretteert ‘Driver’, een man die bij een garage werkt en als stuntdriver bijklust bij films, en heel soms bijverdient als ‘driver’ bij overvallen.

Een film die op eigen benen staat, heeft zo zijn eigen plannen. Hier geen gangsteractiefilm, of een romantische komedie; Drive heeft andere plannen. Welke plannen verklap ik niet, maar de film schaamt zich niet voor opspattend bloed. En gelukkig maar. Wat hebben we aan de zoveelste brave net-niet-Tarantino-achtige gangsterfilm of de zoveelste brave net-niet-leuke-romantische-actiefilm?

Het prettige open acteerspel houdt de film aan de gang – waarbij Ryan Gosling misschien nog wel de moeilijkste rol heeft, van coureur met stevige vuisten die als het uitkomt de boodschappen draagt van een charmante dame. Regisseur Refn (die de klus kreeg dankzij inbreng van Gosling) biedt de acteurs blijkbaar de intensiteit die ze nodig hebben.

De eigenzinnige filmstijl doet de rest. Opvallend is het passende gebruik van slow-motion. De stilte in een hotelkamer na een schietpartij. Beledigd worden door een Pool bij een parkje. Rijden door nachtelijk Los Angeles, opgejaagd door politie. Mooi!

We Need To Talk About Kevin (2011): hoe belangrijk is fantasie voor een script?
Fantasie; daar horen we niet vaak over in filmkritieken. Het klinkt kinds. Maar scripts die de fantasie minder prikkelen, beroeren mijn emoties ook minder. Scripts van fantasierijke schrijvers (zoals David Lynch, Charlie Kauffman) treffen me daarentegen altijd.

Bij We Need To Talk About Kevin had ik wel een beetje hoop dat het script over mysterieuze grenzen heen zou gaan, maar nee, de film durft nergens over die fantasierijke grens te gaan waar emoties worden beroerd. Niet eng, niet geestig, niet mysterieus. Op zijn best een les “een getergd kijkende vrouw spelen” van Tilda Swinton.

Dit is dan de ontrafeling van het drama, met als huzarenstukje dat alle hoofdstukken door elkaar zijn gemonteerd, alsof er een grabbelton stond waar af en toe een scène uit werd gevist.

La Piel Que Habito: hoe erg is het als het thema belangrijker is dan de stijl?
Het zicht op pakkend drama wordt voor mij in deze film verhinderd door chaos in beelden, in karakters, in verhaallijnen. Beelden: welke film ik ook kijk van Aldomovár; hij lijkt altijd maar wat te doen. Hij filmt van boven, opzij, close-ups, veraf. Karakters: karakters doen onmiddellijk hun normale menselijke jasjes uit en worden dramatische karikaturen – sjezend van de ene naar de andere hectische scène. Verhaal: flashbacks en fastforwards gewoon omdat het zo praktisch is. Hop, derde versnelling achteruit, roetsj, vierde versnelling vooruit.

Thema’s: dat is het terrein van Aldomovár. De thema’s vliegen in de seismografie van taboes ver uit de bocht van wat gemiddeld is (wat te denken van: laten we een man in een vrouw veranderen). Dat is mooi en prikkelt de verbeelding. Maar de thema’s zouden me meer treffen als ze verpakt werden met meer mysterie en dat schep je door stijl.

La Bruit Des Glaçons: hoe kijk je naar een film die zich niet houdt aan logische wetten?
In La Bruit Des Glaçons volgt een man met uitbundige krullen zijn toekomstig slachtoffer, een theaterschrijver die aldoor dronken is, nauwgezet. Dat is zijn kanker. De theaterschrijver doet zijn best zijn kanker te vermoorden maar dat kan niet. De kanker verveelt zich. Het kan hem niet snel genoeg gaan, de ondergang van de schrijver. Alleen de serveerster, opgescheept met haar eigen kanker, zit in de weg. En dan komt ook nog eens de zoon langs.

Er is een hele sport van gemaakt, het ontdekken van fouten in scripts, maar wat als een film er zelf met de pet naar gooit? Eerst kan de serveerster de kankermeneer niet zien, daarna ineens wel. De ‘neutrale’ rollen blijken zelf ook scheef. Zo slaat een arts een patiënt plotseling met zijn hoofd bewusteloos – niet bepaalde de neutrale figuur die je daar verwacht.

Een bezorgd gevoel maakt zich van de kijkers in de zaal meester. Hoe moet ik dit zien? Is dit komedie? Of misschien drama? Is dat de Nederlandse koopmansmentaliteit, dat alles kraakhelder moet zijn want anders verkoopt het niet?

Nee, het is een artiest. Iemand als Bertrand Blier doet altijd waar hij zin in heeft. Hij maakte wederom een gedurfde, originele film, die alleen voor mij het manco heeft niet héél erg hilarisch te zijn.

PLANEET CINEMA

Planeet Cinema is een online filmmagazine. We bekijken films zonder grenzen: oud of nieuw, populair of obscuur.

We geven graag nieuw schrijftalent de kans om online te publiceren.

Planeet Cinema beschikt over een uitgebreid archief van meer dan 6.000 artikelen sinds 1993.

 

HOME
RECENSIES
ACHTERGRONDEN
FESTIVALS
KLASSIEKERS

Twitter Facebook

 

THEMA

THEMA - UIT DE KUNST
Vrouw in een mannenwereld


Met de hulp van een historica draaide de Franse regisseur Bruno Nuytten in 1988 een biopic over een van Frankrijks meest bekende vrouwelijke kunstenaars uit de negentiende eeuw. De gelijknamige film vertelt haar tragische levensverhaal begeleid door de dramatische muziek voor hoofdzakelijk strijkers van componist Gabriel Yared.

>>>

THEMA - UIT DE KUNST
De beeldhouwer die niet wou schilderen


Quizvraagje voor bij de barbecue: wat hebben Mozes, Johannes de Doper, Marcus Antonius, Henry VIII, Michelangelo en God de Vader zelve gemeenschappelijk? Antwoord: ze werden allemaal op film vereeuwigd door Charlton Heston.

>>>

THEMA - UIT DE KUNST
Het spanningsveld van de kunstenaar


Een kunstschilder die in de tweede helft van de negentiende eeuw in het zog van het impressionisme op de kunstscène verschijnt, is Auguste Renoir. Deze Fransman die ongeveer 6000 schilderijen maakte, is echter niet de enige kunstenaar die Gilles Bourdos met de film Renoir in de verf zet.

>>>

THEMA - UIT DE KUNST
Genialiteit ondergedompeld in miserie


Quoth the raven: ‘nevermore’. Edgar Allan Poe schreef de beroemde dichtregel in 1845, en sindsdien heeft zijn raaf de populaire cultuur niet meer verlaten. Als zelfs The Simpsons je gedicht opnemen in hun Treehouse of Horrorreeks, weet je dat je het als dichter gemaakt hebt.

>>>

THEMA - UIT DE KUNST
Pop-art tot de tiende macht


Thierry Guetta is een Fransman die in Los Angeles een tweedehands kledingzaak heeft. Via via ontmoet hij een street art-kunstenaar en hij – notoir allesfilmer – springt bij en filmt alles. Meer street art-kunstenaars laten zich filmen. Een idee voor een documentaire is geboren. Maar er is iets loos. Guetta zal niet rusten voor hij alle kunstenaars heeft gefilmd. Hij ontmoet er veel. Maar er ontbreekt er een: Banksy, die intussen wereldberoemd is geworden met zijn ironische street art.

>>>

THEMA - UIT DE KUNST
Wie is er bang van Alfred Hitchcock?


In 2012, meer dan 30 jaar na zijn dood, verschenen er plots twee films over het leven van Alfred Hitchcock. Het mag een wonder zijn dat het zolang geduurd heeft. Hitchcock was een mysterieus man en een gedroomd object voor een biopic.

>>>

UIT HET ARCHIEF

European Film Partners
BOTTLE SHOCK
Gebottelde zon
>>>